Aanwasboor
Holle boor, afkomstig uit de bosbouw, voor het nemen van monsters uit de kern van een houten paal.
Alfabetische definities van begrippen die vaak terugkomen in funderingsonderzoeken en QuickScans.
Laatst bijgewerkt op 25-8-2026
Woordenlijst
Alfabetische definities van begrippen die vaak terugkomen in funderingsonderzoeken en QuickScans.
Holle boor, afkomstig uit de bosbouw, voor het nemen van monsters uit de kern van een houten paal.
Eerste steen links en rechts in een gemetselde boog.
Zakking van een pand in zijn geheel. Dit kan gemeten worden ten opzichte van het NAP (Nieuw Amsterdams Peil).
Scheuren die nog steeds in beweging zijn.
Schuin verloop van vloeren, daken, goten en leidingen om water snel af te kunnen voeren.
Een betonnen of kunststof blokje dat ervoor zorgt dat de wapening in een constructie de juiste dekking krijgt.
Fundering bestaande uit paarsgewijs geslagen houten palen waarop een houten kesp rust (juk). De palenparen zijn onderling verbonden met langshout. Op het langshout zit nog een schuifhout om het metselwerk op zijn plaats te houden.
Aantasting door bacteriën, ook wel palenpest genoemd. Deze aantasting kan tevens aanwezig zijn als er geen droogstand aan de orde is.
Eerste verdieping boven de begane grond of het souterrain.
Aangrenzend pand of terrein.
Installatie voor de (tijdelijke) verlaging van de grondwaterstand.
Betonnen opzetstuk van 1 meter tot meer dan 3 meter op een houten paal, dat wordt gebruikt om de kop van een houten paal beneden het grondwater weg te heien.
Vanaf circa 1970 zijn in de woningbouw betonnen palen gebruikt. Funderingsproblemen bij betonpalen komen relatief weinig voor, maar als deze optreden heeft dat meestal te maken met een tekort aan draagvermogen door constructieve problemen.
Een kopgevel waarin geen kozijnopeningen zijn aangebracht.
Bodemdaling bij funderingen op staal kent twee vormen: in gebieden met slappe bodems en in gebieden met gemengde bodems (zand, veen, klei). In slappe bodems zakken op staal gefundeerde woningen met de bodem mee, al dan niet gelijkmatig. Door zakking komt de beganegrondvloer dichter bij het grondwaterniveau, waardoor op termijn wateroverlast optreedt en het draagvermogen van het dragende zandpakket afneemt als het grondwater stijgt. In gebieden met gemengde bodems zijn ongelijkmatige zettingen als gevolg van droogte en te lage grondwaterstanden de oorzaak van schade aan gevels en muren.
Metselwerk onder een raam of kozijn.
Het aantal woningen dat constructief of bouwkundig een geheel vormt. Als geen duidelijke dilatatie aanwezig is, hebben bouweenheden invloed op elkaar bij zettingen.
Constructieve wand.
Hoogste punt van het funderingshout, meestal aangegeven ten opzichte van NAP. Bij de Amsterdamse en Rotterdamse fundering is dit de bovenkant schuifhout. Bij houten palen waarop een betonbalk rust ligt de bovenkant funderingshout enkele centimeters boven de onderkant van de balk; de paal steekt 30 tot 50 mm in het beton.
In poriën opgestegen grondwater. In klei is de capillaire werking groot; in zand loopt het grondwater snel weg.
Korte uitdragende (dwars)balk van staal of beton.
De zijden, haaks of afgeschuind, van de opening in een wand, kozijn, poort of boog.
De maat van de vrije opening (doorgang) in een deur- of raamkozijn.
Tussendorpel in een kozijn boven een deur, onder het bovenlicht.
Een constructieve naad in een bouwcomplex die het mogelijk maakt dat de bouwdelen aan weerszijden onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen.
IJzeren of koperen kram of bout waarmee stukken gehouwen steen onderling worden verbonden en die met lood wordt aangegoten in de daarvoor gemaakte groeven of gaten.
Vrijwel gelijk aan de Rotterdamse fundering. Bij de Dordtse fundering zit tussen het langshout en de paal een kesp.
Situatie waarbij het grondwater beneden het niveau van het bovenste funderingshout staat.
Bepaalde soort(en) bacteriën die een aantasting veroorzaken die lijkt op erosie van het hout.
De waterspiegel in de bovenste bodemlagen.
Ondiepe fundering die niet op palen staat, veelal toegepast op zandgronden, maar ook daarbuiten. Op staal gefundeerde woningen zakken in klei- en veengebieden mee met de bodemdaling, niet altijd gelijkmatig. Dit worden ook wel niet-onderheide panden of ondiepe funderingen genoemd.
Een betonbalk boven de palen waarop het metselwerk rust. Gewoonlijk staat hieronder een enkele rij palen.
Methodiek om de fundering voor lange tijd voldoende draagkracht terug te geven.
Het geheel van alle houten onderdelen van een fundering op houten palen: palen, kespen, langshout en schuifhout.
NAF-term (stap 1 van het funderingsonderzoeksproces) voor de bureau-inschatting van het funderingsrisico op pandniveau, met een beoordeling in Klasse A t/m E. Voorheen bekend als Funderingsrisicorapport (FRR).
De periode waarin de fundering op de huidige wijze kan blijven functioneren zonder dat herstelmaatregelen nodig zijn.
Situatie waarin de weerstand van de grond, waaraan de paal zijn draagkracht ontleent, onvoldoende is. Belangrijke oorzaak is overbelasting door negatieve kleef: zakkende grondlagen kleven aan de paal en oefenen extra belasting uit, waardoor palen kunnen zakken. Ongelijkmatige zakking leidt tot scheefstand en scheurvorming; gelijkmatige zakking van alle palen van een blok heeft doorgaans geen nadelige gevolgen. Gebrek aan draagkracht kan ook ontstaan door constructieve fouten.
Onttrekkingen van grondwater door drinkwaterleidingbedrijven, industrie en op bouwlocaties, bij tunnels enzovoort.
De waterspiegel in de bovenste bodemlagen, ook wel freatisch grondwater, grondwaterspiegel of grondwaterstand genoemd.
Mengsel van cement, water en hulpstoffen. Constructieve lijm waarin geen cement verwerkt is, wordt soms ook aangeduid als grout.
Hart-op-hartafstand: de afstand tussen de middens van twee elementen, bijvoorbeeld palen.
De termijn waarbinnen de vervormingen van de fundering bij gelijkblijvende omstandigheden zodanig beperkt blijven dat geen verlies van gebruikswaarde van het bouwwerk optreedt.
Apparaat waarmee op gestandaardiseerde wijze de indringingswaarde van houten palen wordt gemeten. Wordt ook prikker, prikapparaat, pylodon, slaghamer of specht genoemd.
Houten funderingspalen zijn in de woningbouw gebruikt tot ongeveer 1970 en zijn gevoelig voor aantasting, onder meer door een te lage grondwaterstand.
Bij een houten paal met betonoplanger steekt het funderingshout 5 tot 10 cm in de betonoplanger. Betonoplangers zijn gebruikt in de periode 1930–1970, aanvankelijk om metselwerk te besparen. Later werden langere betonoplangers gebruikt zodat het hoogste funderingshout dieper in het grondwater kwam te staan.
Een globaal en indicatief onderzoek naar de fundering. Hier moet niet al te veel waarde aan worden gehecht.
De afstand in mm waarover de pen van de standaard prikker het funderingshout binnendringt. Maat voor kwaliteit en aantasting.
Een systeem om grondwater toe te voegen tot een gewenst niveau.
De grond wordt door druk en uitdroging in elkaar gedrukt, waardoor het maaiveld zakt.
Het aantal millimeter dat een houten paal is ingestort in een betonbalk.
Verbindingshout tussen twee palen bij een Amsterdamse fundering; samen vormen ze een juk.
Een goot tussen twee dakvlakken.
Korte paal die draagkracht krijgt uit wrijving in slappe grondlagen.
Melding aan het Kabels en Leidingen Informatie Centrum voor informatie over ondergrondse infrastructuur.
Luik in de beganegrondvloer voor toegang tot de kruipruimte.
Ruimte onder de beganegrondvloer.
Houten balk onder een draagmuur die belasting overdraagt op paaljukken.
Horizontale overspanning boven een opening in metselwerk.
Oorspronkelijk horizontale voeg; opnieuw meten toont lokale zakkingen.
Hoogte van het maaiveld ten opzichte van NAP.
Vorm van gedeeld eigendom, vaak bij woningscheidende muren.
Boutje in de gevel voor lintvoegwaterpasmetingen.
Patroon van stenen in metselwerk.
Meerdere jaren volgen van grondwaterstand, zetting en scheuren.
Normaal Amsterdams Peil; landelijk referentieniveau.
Zakkende grondlagen trekken aan palen, waardoor extra belasting ontstaat.
Blokje steen of hout waarop een kozijn rust; voorkomt vochtproblemen.
Fundering zonder palen, direct op de grond; ook fundering op staal.
Vooropname met foto’s van onder andere scheuren.
Laagste niveau van het metselwerk of de betonbalk; niet gelijk aan de bovenkant van het funderingshout.
Constructiedeel dat aan één zijde wordt ondersteund.
Kesp met twee palen bij een Amsterdamse fundering.
Bovenste deel van een funderingspaal.
Schimmelaantasting door droogstand; paal verliest draagkracht.
Buitenkant van de paal, van kop tot voet.
Onderkant van een paal.
Bacteriële aantasting van vooral grenen palen; tast de spintlaag aan.
Bovenaanzicht met de plaats van palen.
Meestal de bovenkant van de beganegrondvloer.
Meetbuis met filter voor grondwaterstand.
Gebied met gestabiliseerd waterpeil door het waterschap.
Metselwerk naast of tussen kozijnen.
Blokvormig funderingsdeel, meestal van beton, met meerdere palen.
Zie hardheidshamer.
Zie hardheidshamer.
Grofmazig peilbuizennetwerk dat sinds 1994 maandelijks wordt gemeten.
Pakket van Eisen voor onder andere funderingshersteloffertes.
Zie hardheidshamer.
Bestaand marktinstrument voor verkennend funderingsonderzoek (stap 2): beperkt onderzoek op locatie door een KCAF-erkend bureau. Zie ook Verkennend funderingsonderzoek.
Installatie die opgepompt water terug in de grond brengt.
Laag op kant gemetselde stenen, vaak boven kozijnen.
Houten roosterwerk onder funderingen op staal.
Rij houten palen met langshout en schuifhout; soms met kesp.
Hellingshoek ten opzichte van het horizontale vlak.
Patroon en geheel van scheuren in een pand.
Schimmelvorming in palen door droogstand.
Houten balkje op langshout om het metselwerk te fixeren.
Fijnmazig meetnet; niet representatief voor een beoordeling.
Meetinstrument om de indringingswaarde te bepalen.
Meetapparaat voor hoogteverschillen.
Geotechnisch onderzoek door een conus in de grond te drukken.
Horizontale kracht onder bogen of gewelven.
Apparaat voor het meten van de indringingswaarde van palen.
Worden gebruikt voor een nieuwe fundering onder bestaande woningen.
Tijdelijke ondersteuningsconstructie.
Onderste deel van een gevel in minder wateroptrekkende steen.
Verbinden van stalen buissegmenten door een segment op te rekken.
Uiterste Grens Toestand.
NAF-term (stap 3 van het funderingsonderzoeksproces) voor volledig veldonderzoek aan de fundering, met een beoordeling van voldoende tot slecht. Voorheen bekend als Fase 1- en 2-onderzoek.
Lichtopening voorzien van kozijn en overspanning.
NAF-term (stap 2 van het funderingsonderzoeksproces) voor beperkt funderingsonderzoek op locatie, met een beoordeling laag/midden/hoog. Voorheen bekend als QuickScan of Fase 0-onderzoek. Het onderzoeksproces kent drie stappen: 1. funderingsrisico-inschatting, 2. verkennend funderingsonderzoek, 3. uitgebreid funderingsonderzoek.
Stapsgewijze afname van de breedte van metselwerk.
Hydraulische cilinder.
Siermetselwerk bij puntgevels.
Siermetselwerk in boogvelden of friezen.
Instrument voor het meten van hoogteverschillen.
Nauwkeurige niveaubepaling.
Maat voor hoe ver een pand is gezakt ten opzichte van de originele positie.
Verschillen in zakking tussen onderdelen; kan schade veroorzaken.