Indicatie 1 is een attentiesignaal. Het helpt om te bepalen of tijdens een opname extra alertheid nodig is en of vervolgonderzoek moet worden besproken.
Indicatie 2 en 3 vragen om serieuzere opvolging. Daar ligt feitelijke brondata onder, afkomstig uit onderzoek, metingen of gekoppelde pandinformatie.
De indicator is geen vervanging van locatiekennis of technisch onderzoek, maar juist een hulpmiddel om sneller de juiste vervolgstap te kiezen.
Misverstand in de markt:
Een QuickScan is niet verplicht bij een D- of E-klasse in het modeltaxatierapport of via de ontsluiting in NVM- en VastgoedNED-software. De professional gebruikt de funderingsinformatie voor het nemen van een besluit over aanvullend onderzoek volgens de QuickScan-richtlijn.
Bij een verhoogd risico, met name D of E, mag worden verwacht dat de makelaar of taxateur hierop handelt. Wanneer sprake is van hoog risico met een vastgestelde of afgeleide betrouwbaarheid, is het redelijk aannemelijk dat er schade kan zijn omdat in het verleden onderzoeken zijn gedaan. Bespreek dit met de klant; bij onduidelijkheid is een QuickScan een logische stap. Een taxateur kan dit onderbouwd, eventueel met bewijsstukken, ook anders beoordelen.
Is er sprake van hoog risico met een modelmatig bepaalde betrouwbaarheid, dan is het aan makelaar en taxateur om extra waakzaam te zijn. Lokale kennis, in combinatie met signalen op locatie zoals scheuren of scheefstanden, kan het risico ondersteunen. In dat geval is een QuickScan een passend instrument om tot een kwantitatieve beoordeling te komen. Als zulke signalen ontbreken, kan een taxateur dit onderbouwd, eventueel met bewijsstukken, ook anders beoordelen.
De risico-informatie is daarmee een hulpmiddel voor de professional op locatie, geen label zoals een energielabel.