FunderConsult

KCAF Richtlijn Fundering onder gebouwen — paragraaf-naslag

Naslag van de paragrafen uit de KCAF Richtlijn Fundering onder gebouwen (22-11-2022) en het Addendum QuickScan (25-03-2025) zoals gebruikt in de FunderScan-app.

Laatst bijgewerkt op 13-6-2026

Dit artikel is een naslag van de paragrafen uit de officiële richtlijn-documenten die de FunderScan-app gebruikt voor classificatie, toetsing en eindbeoordeling. Iedere paragraaf hieronder heeft een anker (#paragraaf-X-Y) dat vanuit de app rechtstreeks aangelinkt wordt zodra je in een module op een § X.Y-badge klikt.

Brondocument: "KCAF Richtlijn Fundering onder gebouwen" (versie 22-11-2022) en "Addendum QuickScan" (groene versie 25-03-2025). De onderstaande tekst is een parafrasering voor in-app context; voor formele juridische of certificering-doeleinden raadpleeg altijd het officiële PDF-document via KCAF.

Inhoudsopgave


§ 1.4 — Omgevingsfactoren bij funderingsschade {#paragraaf-1-4}

Beschrijft hoe grondwaterstand, peilverlaging, naburige bouwactiviteit en verkeer de fundering beïnvloeden. Vereist als context bij elke beoordeling vanaf Fase 1.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 2.1 — Archiefonderzoek + historische context {#paragraaf-2-1}

Bouwtekeningen, eerdere onderzoeken, herstelregistraties en historische topografie. Geeft de uitgangssituatie en verklaart latere observaties.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 2.2 — Scheuren visuele inventarisatie {#paragraaf-2-2}

Inventariseer scheuren per gevel, classificeer naar breedte (tabel 1) en actief/passief. Foto's met annotaties en classificatie per scheur zijn vereist.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 2.2.2 — Tabel 1 Scheurbreedte classificatie {#paragraaf-2-2-2}

Klasse Breedte Toelichting
Zeer klein < 0,5 mm Haarscheur
Klein 0,5 – 1 mm Architectonisch
Matig 1 – 3 mm Architectonisch, monitoren
Groot > 3 mm Constructief, vervolg-onderzoek

Actieve scheuren (toename in tijd) wegen zwaarder mee dan passieve. Recente scheuren altijd uit-meten en evalueren met de andere meetwerk-uitkomsten.


§ 2.3 — Lintvoeg- en loodmetingen {#paragraaf-2-3}

Lintvoeg meet vervorming in horizontale voegen met geijkte slangwaterpas of theodoliet. Loodmeting meet scheef-stand van de gevel met digitale waterpas of schietlood. Beide leiden tot rotatie 1:n volgens tabel 2.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 2.3.1 — Tabel 2 Rotatie casco classificatie {#paragraaf-2-3-1}

Klasse Rotatie 1:n Type schade
Nihil < 1:300 Geen
Klein 1:200 – 1:300 Architectonisch
Matig 1:100 – 1:200 Architectonisch, mogelijk constructief
Groot 1:75 – 1:100 Constructief
Zeer-groot > 1:75 Ernstig constructief

Klein-en-lager geeft alleen architectonische schade; matig-en-hoger kan constructief zijn en vraagt onderbouwing.


§ 2.4 — Pandzakking nauwkeurigheidswaterpassing {#paragraaf-2-4}

Zakkingssnelheid in mm/jaar via referentie-baseline, meestal nauwkeurigheidswaterpassing. Gecombineerd met FunderMaps 10+ jaar zakkingsdata als context.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 2.4.2 — Tabel 3 Zakkingssnelheid classificatie {#paragraaf-2-4-2}

Klasse Snelheid Actie
Nihil < 0,5 mm/j Geen
Klein 0,5 – 2 mm/j Monitoren
Matig 2 – 3 mm/j Vervolg-onderzoek
Groot 3 – 4 mm/j Fase 2 + monitoring
Zeer-groot > 4 mm/j Acute beoordeling

Hogere snelheid betekent actieve fundering-problemen die monitoring of herstel vragen.


§ 2.5 — Sonderingsprotocol Fase 1 en Fase 2 {#paragraaf-2-5}

Minimum 1 CPT per bouweenheid (≤ 3 panden), extra per ~250 m² of bij heterogeen profiel. Onderlinge afstand ≤ 25 m. CPT minstens 3 m insteek in pleistoceen, 1–3 m uit de gevel.

Aanvullend: bij houten paalfundering ten minste één boring (Begemann of pulsboring) tot het paalpunt-niveau om de holocene laag-opbouw vast te stellen — input voor § 3.2 (negatieve kleef) en § 2.6.5.4 (Klaassen 2008).


§ 2.6 — Funderingsonderzoekput inspectieput {#paragraaf-2-6}

Inspectieput voor blootleggen palen. Tabel 4: bouweenheid ≤ 3 panden → 1 put, > 3 panden → 2 putten. Per put minstens 3 palen (≥ 3 bouwlagen) of 2 palen/jukken. Onderlinge afstand putten ≤ 25 m, minimaal 3% van het heiwerk geïnspecteerd.

Eisen aan de put zelf: afmetingen ~1,5 × 1,5 m, droog­pomp, vrije inspectie­hoogte, ARBO-veiligheid.


§ 2.6.3 — Tabel 5 Visuele houtbeoordeling paalkop {#paragraaf-2-6-3}

Per paalkop: kleur, schimmel, geur en vezelstructuur. Schaal van nihil (intact, vochtig licht-bruin, mes prikt moeilijk in) tot uitbundig (zwart, mycelium, mes prikt door, sterk rottend). Aanvulling op de Pilodyn-indringingsmeting.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 2.6.5.2 — Beslissingsdiagram monstername figuur 49 {#paragraaf-2-6-5-2}

(D, i)-vlak met zones I/II/III/IV.

  • Zone I — geen monstername nodig, gebruik C24/D30 default-waarden
  • Zone II — monstername aangeraden bij verwachte restlevensduur > 25 j
  • Zone III — monstername noodzakelijk
  • Zone IV — paalsterkte direct onvoldoende, fundering ongeschikt

De grens tussen III en IV wordt bepaald door de typische belasting per diameter (figuur 49) — circa σ > 10,8 N/mm².


§ 2.6.5.4 — Klaassen 2008 hout-kwaliteit {#paragraaf-2-6-5-4}

Correlatie tussen vochtgehalte / volumieke massa nat → ρ_dry → karakteristieke druksterkte f_c,k voor verzwakt grenen en eiken. Alternatief op de generieke C24/D30 aanname als monstername (zone II/III) is uitgevoerd.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 2.6.6 — Resterende dragende doorsnede paalkop {#paragraaf-2-6-6}

Drie varianten voor d-paalkop:

  • Verg 1 (default conservatief): d = D − 2·(i + 5)
  • Verg 2 (diepe aantasting bevestigd): d = D − 2·i
  • Verg 3 (stevig residu, druksterkte ≥ 10 N/mm²): d = D − 2·(i − 5)

A = π · d² / 4 (verg 4). Voor het omslagpunt geldt verg 5 zonder bacteriële aantasting, verg 6 met.


§ 2.6.7 — NPR 7201 Proefbelasting {#paragraaf-2-6-7}

Een paal fysiek op trek/druk belasten als rekenkundig (§ 3.1.5) geen uitsluitsel geeft. R_c;k uit proef via factoren ξ_test (afhankelijk van aantal tests) en γ_t (RC1 = 1,10 / RC2 = 1,20 / RC3 = 1,25) naar R_c;d.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit NPR 7201 § 6.


§ 2.7 — Omgevingskenmerken per cluster en pand {#paragraaf-2-7}

Grondwaterstand, peilverlaging, naburige bouwactiviteit, verkeer en grond-water-historie binnen 250 m. Voedt direct § 3.2 (negatieve kleef) en de monitoringsbehoefte. Op cluster- en pand-niveau vast te leggen.

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 2.8 — Inpandige inspectie {#paragraaf-2-8}

Bevindingen in pand: zichtbare schade aan binnen­muren, vocht­problemen, kruip­ruimte-status, vloer-scheef­stand. Aanvulling op de bovengrondse buiten­metingen en context bij scheur-inventarisatie (§ 2.2).

Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.


§ 3.1.3 — Paaldruk parallel aan vezel {#paragraaf-3-1-3}

σ_c,d = F_d / A ≤ f_c,d met:

  • f_c,d = 10,8 N/mm² (combinatie 6.10a, eigen gewicht maatgevend)
  • f_c,d = 12,6 N/mm² (combinatie 6.10b, wind/sneeuw maatgevend)

Toets paalkop én omslagpunt; slechtste UC is maatgevend. Wordt gecorrigeerd voor negatieve kleef wanneer § 3.2 actief is.


§ 3.1.4 — Druk loodrecht langshout {#paragraaf-3-1-4}

σ_c90,d ≤ f_c90,d (figuur 58). Bij σ > 4,5 N/mm² geldt aanvullend verg 10: restdikte h − 2·i_langshout > 40 mm. Toetst het dwarse hout dat de paalkop opvangt.


§ 3.1.5 — Geotechnische draagkracht bestaande bouw {#paragraaf-3-1-5}

Twee methoden, beide toepasbaar:

Methode 1 — Bewezen sterkte

Als de fundering 50+ jaar zonder schade onder zijn karakteristieke belasting heeft gestaan, is dat impliciet bewijs van voldoende geotechnische draagkracht. Vereist: lintvoeg + peilmaat + nauwkeurigheidswaterpassing.

Methode 2 — NEN 8700/8701

NEN 9997-1 met versoepelde γ-factoren voor bestaande bouw:

Niveau Periode γ_G γ_Q
Aanschrijfniveau 1 jaar 1,10 1,20
Observatieniveau 15 jaar 1,20 1,30
Splitsingsniveau 25 jaar 1,30 1,40
Nieuwbouw 50 jaar 1,35 1,50

§ 3.2 — Negatieve kleef bij grondwaterdaling {#paragraaf-3-2}

F_nk = O · l_nk · α · σ'_v met α = 0,25 (klei/veen) of 0,35 (zand). Bij peilverlaging hangt zakkende grond aan de paal en geeft extra neerwaartse belasting (in NL-binnenstad vaak 20–40% van F_d).

Gecorrigeerde paaldruk: σ_c,d_corr = (F_d + F_nk) / A_paalkop.


§ 3.3 — Tabel 6 Eindclassificatie {#paragraaf-3-3}

Combineert pand-observaties (rotatie / zakking / metselwerk) + paaltoetsen tot groen/oranje/rood. Slechtste deelresultaat = maatgevend. Koppelt aan handhavings­termijn:

Kleur Termijn Vervolgactie
Rood ≤ 5 jaar Funderingsherstel plannen
Oranje ≤ 15 jaar Monitoring + herstel voorbereiden
Groen ≤ 25 jaar Periodieke controle

Restlevensduur kan korter zijn als V_z hoog is — t_rest = (50 mm − huidige zakking) / V_z.


§ 3.4 — Andere funderingstypen {#paragraaf-3-4}

Naast houten paalfundering dekt de richtlijn ook:

  • Op-staal — § 3.4.2 Brinch Hansen + tabel 7
  • Beton-palen — § 3.4.3 carbonatatie + sterkte-reductie
  • Kespen / Amsterdamse fundering — houten palen met juk-constructie, beoordeel kesp-buigsterkte + paalverdeling

§ 3.4.2 — Fundering op staal {#paragraaf-3-4-2}

Drained (zand) via Brinch Hansen-formule:
R_d = c'·N_c·s_c·d_c·i_c + q·N_q·s_q·d_q·i_q + 0,5·γ·B·N_γ·s_γ·d_γ·i_γ

Undrained (klei) via c_u·N_c·s_c·d_c·i_c + q_0.

KCAF tabel 7 geeft vereenvoudigde σ_toelaatbaar per grondsoort en consistentie:

Grondsoort σ_toelaatbaar (kPa)
Zand vast 200 – 300
Zand los 100 – 150
Klei vast 100 – 150
Klei matig 50 – 100
Klei slap < 50
Veen ≤ 25

Plus zakkings-prognose (Terzaghi voor klei) en differentiële zetting tussen panden.


§ 3.4.3 — Beton-palen corrosie en sterkte-reductie {#paragraaf-3-4-3}

Tuutti carbonatatie­model: x_c = K · √t met:

  • K ≈ 3 mm/√j bij C20/25 in beschermde omgeving
  • K ≈ 10 mm/√j bij blootgesteld beton

Toetst of dekking nog voldoet: x_c < dekking − 5 mm marge.

Plus inspectie-gebaseerde reductie van f_c,d (0–50%) op basis van zichtbare scheuren, hol-klop bij hamerproef, of verkleuring/uitloging.


Addendum 2.1 — QuickScan minimumvereisten visuele scan {#paragraaf-add-2-1}

Verplicht voor een QuickScan-conform oordeel:

  • Lintvoegmeting (voorgevel of volledig)
  • Loodmeting (voorgevel of volledig)
  • Scheuropname met classificatie

Optioneel maar aanbevolen:

  • Pandzakking (mm/jaar)
  • Archiefonderzoek

Vereist voor de uitvoering:

  • Geijkte instrumenten (waterpas, theodoliet, schietlood)
  • Foto-traceerbaarheid met geo-tags
  • Beoordeling door erkende organisatie (KCAF of VastgoedNED)

Resultaat: indicatief oordeel met aanbeveling Fase 1 voor vervolg-onderzoek bij twijfel.

Gerelateerde artikelen

Onderzoek, uitvragen en juridisch

Verkoop en juridisch

Juridische clausules en modelteksten rond funderingsrisico.

11-6-2026Lees meer

Onderzoek, uitvragen en juridisch

Beslisschema onderzoek funderingsproblematiek

Beslisschema voor vervolgacties na het funderingsrisicorapport.

11-6-2026Lees meer

Onderzoek, uitvragen en juridisch

Programma van Eisen – QuickScan Funderingsrisico

Programma van Eisen voor QuickScan-opdrachten.

11-6-2026Lees meer

Onderzoek, uitvragen en juridisch

Programma van Eisen – Funderingsonderzoek

Programma van Eisen voor funderingsonderzoek.

11-6-2026Lees meer