Woordenlijst funderingstermen
Alfabetische definities van begrippen die vaak terugkomen in funderingsonderzoeken en QuickScans.
9 min lezen
A
Aanwasboor
Holle boor, afkomstig uit de bosbouw, voor het nemen van monsters uit de kern van een houten paal.
Aanzetsteen
Eerste steen links en rechts in een gemetselde boog.
Absolute zetting
Zakking van een pand in zijn geheel. Dit kan gemeten worden ten opzichte van het NAP (Nieuw Amsterdams Peil).
Actieve scheuren
Scheuren die nog steeds in beweging zijn.
Afschot
Schuin verloop van vloeren, daken, goten en leidingen om water snel af te kunnen voeren.
Afstandhouder
Een betonnen of kunststof blokje dat ervoor zorgt dat de wapening in een constructie de juiste dekking krijgt.
Amsterdamse fundering
Fundering bestaande uit paarsgewijs geslagen houten palen waarop een houten kesp rust (juk). De palenparen zijn onderling verbonden met langshout. Op het langshout zit nog een schuifhout om het metselwerk op zijn plaats te houden.
B
Bacteriële aantasting
Aantasting door bacteriën, ook wel palenpest genoemd. Deze aantasting kan tevens aanwezig zijn als er geen droogstand aan de orde is.
Bel-etage
Eerste verdieping boven de begane grond of het souterrain.
Belending
Aangrenzend pand of terrein.
Bemaling
Installatie voor de (tijdelijke) verlaging van de grondwaterstand.
Betonoplanger
Betonnen opzetstuk van 1 meter tot meer dan 3 meter op een houten paal, dat wordt gebruikt om de kop van een houten paal beneden het grondwater weg te heien.
Betonpalen
Vanaf circa 1970 zijn in de woningbouw betonnen palen gebruikt. Funderingsproblemen bij betonpalen komen relatief weinig voor, maar als deze optreden heeft dat meestal te maken met een tekort aan draagvermogen door constructieve problemen.
Blinde muur
Een kopgevel waarin geen kozijnopeningen zijn aangebracht.
Bodemdaling bij funderingen op staal
Bodemdaling bij funderingen op staal kent twee vormen: in gebieden met slappe bodems en in gebieden met gemengde bodems (zand, veen, klei). In slappe bodems zakken op staal gefundeerde woningen met de bodem mee, al dan niet gelijkmatig. Door zakking komt de beganegrondvloer dichter bij het grondwaterniveau, waardoor op termijn wateroverlast optreedt en het draagvermogen van het dragende zandpakket afneemt als het grondwater stijgt. In gebieden met gemengde bodems zijn ongelijkmatige zettingen als gevolg van droogte en te lage grondwaterstanden de oorzaak van schade aan gevels en muren.
Borstwering
Metselwerk onder een raam of kozijn.
Bouwkundige eenheid
Het aantal woningen dat constructief of bouwkundig een geheel vormt. Als geen duidelijke dilatatie aanwezig is, hebben bouweenheden invloed op elkaar bij zettingen.
Bouwmuur
Constructieve wand.
Bovenkant funderingshout
Hoogste punt van het funderingshout, meestal aangegeven ten opzichte van NAP. Bij de Amsterdamse en Rotterdamse fundering is dit de bovenkant schuifhout. Bij houten palen waarop een betonbalk rust ligt de bovenkant funderingshout enkele centimeters boven de onderkant van de balk; de paal steekt 30 tot 50 mm in het beton.
C
Capillaire werking
In poriën opgestegen grondwater. In klei is de capillaire werking groot; in zand loopt het grondwater snel weg.
Console
Korte uitdragende (dwars)balk van staal of beton.
D
Dagkant
De zijden, haaks of afgeschuind, van de opening in een wand, kozijn, poort of boog.
Dagmaat
De maat van de vrije opening (doorgang) in een deur- of raamkozijn.
Deurkalf
Tussendorpel in een kozijn boven een deur, onder het bovenlicht.
Dilatatie
Een constructieve naad in een bouwcomplex die het mogelijk maakt dat de bouwdelen aan weerszijden onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen.
Dook
IJzeren of koperen kram of bout waarmee stukken gehouwen steen onderling worden verbonden en die met lood wordt aangegoten in de daarvoor gemaakte groeven of gaten.
Dordtse fundering
Vrijwel gelijk aan de Rotterdamse fundering. Bij de Dordtse fundering zit tussen het langshout en de paal een kesp.
Droogstand
Situatie waarbij het grondwater beneden het niveau van het bovenste funderingshout staat.
E
Erosiebacterie
Bepaalde soort(en) bacteriën die een aantasting veroorzaken die lijkt op erosie van het hout.
F
Freatisch grondwater
De waterspiegel in de bovenste bodemlagen.
Fundering op staal
Ondiepe fundering die niet op palen staat, veelal toegepast op zandgronden, maar ook daarbuiten. Op staal gefundeerde woningen zakken in klei- en veengebieden mee met de bodemdaling, niet altijd gelijkmatig. Dit worden ook wel niet-onderheide panden of ondiepe funderingen genoemd.
Funderingsbalk
Een betonbalk boven de palen waarop het metselwerk rust. Gewoonlijk staat hieronder een enkele rij palen.
Funderingsherstel
Methodiek om de fundering voor lange tijd voldoende draagkracht terug te geven.
Funderingshout
Het geheel van alle houten onderdelen van een fundering op houten palen: palen, kespen, langshout en schuifhout.
Funderingsrisico-inschatting
NAF-term (stap 1 van het funderingsonderzoeksproces) voor de bureau-inschatting van het funderingsrisico op pandniveau, met een beoordeling in Klasse A t/m E. Voorheen bekend als Funderingsrisicorapport (FRR).
Funderingstechnische handhavingstermijn
De periode waarin de fundering op de huidige wijze kan blijven functioneren zonder dat herstelmaatregelen nodig zijn.
G
Gebrek aan draagkracht
Situatie waarin de weerstand van de grond, waaraan de paal zijn draagkracht ontleent, onvoldoende is. Belangrijke oorzaak is overbelasting door negatieve kleef: zakkende grondlagen kleven aan de paal en oefenen extra belasting uit, waardoor palen kunnen zakken. Ongelijkmatige zakking leidt tot scheefstand en scheurvorming; gelijkmatige zakking van alle palen van een blok heeft doorgaans geen nadelige gevolgen. Gebrek aan draagkracht kan ook ontstaan door constructieve fouten.
Grondwateronttrekkingen
Onttrekkingen van grondwater door drinkwaterleidingbedrijven, industrie en op bouwlocaties, bij tunnels enzovoort.
Grondwaterpeil
De waterspiegel in de bovenste bodemlagen, ook wel freatisch grondwater, grondwaterspiegel of grondwaterstand genoemd.
Grout
Mengsel van cement, water en hulpstoffen. Constructieve lijm waarin geen cement verwerkt is, wordt soms ook aangeduid als grout.
H
H.o.h. afstand
Hart-op-hartafstand: de afstand tussen de middens van twee elementen, bijvoorbeeld palen.
Handhavingstermijn
De termijn waarbinnen de vervormingen van de fundering bij gelijkblijvende omstandigheden zodanig beperkt blijven dat geen verlies van gebruikswaarde van het bouwwerk optreedt.
Hardheidsmeter
Apparaat waarmee op gestandaardiseerde wijze de indringingswaarde van houten palen wordt gemeten. Wordt ook prikker, prikapparaat, pylodon, slaghamer of specht genoemd.
Houten funderingspalen
Houten funderingspalen zijn in de woningbouw gebruikt tot ongeveer 1970 en zijn gevoelig voor aantasting, onder meer door een te lage grondwaterstand.
Houten funderingspalen met betonoplanger
Bij een houten paal met betonoplanger steekt het funderingshout 5 tot 10 cm in de betonoplanger. Betonoplangers zijn gebruikt in de periode 1930–1970, aanvankelijk om metselwerk te besparen. Later werden langere betonoplangers gebruikt zodat het hoogste funderingshout dieper in het grondwater kwam te staan.
I
Indicatief onderzoek
Een globaal en indicatief onderzoek naar de fundering. Hier moet niet al te veel waarde aan worden gehecht.
Indringingswaarde
De afstand in mm waarover de pen van de standaard prikker het funderingshout binnendringt. Maat voor kwaliteit en aantasting.
Infiltratiesysteem
Een systeem om grondwater toe te voegen tot een gewenst niveau.
Inklinking
De grond wordt door druk en uitdroging in elkaar gedrukt, waardoor het maaiveld zakt.
Instorting
Het aantal millimeter dat een houten paal is ingestort in een betonbalk.
K
Kesp
Verbindingshout tussen twee palen bij een Amsterdamse fundering; samen vormen ze een juk.
Kilgoot
Een goot tussen twee dakvlakken.
Kleefpaal
Korte paal die draagkracht krijgt uit wrijving in slappe grondlagen.
Klic-melding
Melding aan het Kabels en Leidingen Informatie Centrum voor informatie over ondergrondse infrastructuur.
Kruipluik
Luik in de beganegrondvloer voor toegang tot de kruipruimte.
Kruipruimte
Ruimte onder de beganegrondvloer.
L
Langshout
Houten balk onder een draagmuur die belasting overdraagt op paaljukken.
Latei
Horizontale overspanning boven een opening in metselwerk.
Lintvoeg + lintvoegwaterpasmeting
Oorspronkelijk horizontale voeg; opnieuw meten toont lokale zakkingen.
M
Maaiveldhoogte
Hoogte van het maaiveld ten opzichte van NAP.
Mandeligheid
Vorm van gedeeld eigendom, vaak bij woningscheidende muren.
Meetbout
Boutje in de gevel voor lintvoegwaterpasmetingen.
Metselverband
Patroon van stenen in metselwerk.
Monitoring
Meerdere jaren volgen van grondwaterstand, zetting en scheuren.
N
NAP
Normaal Amsterdams Peil; landelijk referentieniveau.
Negatieve kleef
Zakkende grondlagen trekken aan palen, waardoor extra belasting ontstaat.
Neut
Blokje steen of hout waarop een kozijn rust; voorkomt vochtproblemen.
Niet onderheide fundering
Fundering zonder palen, direct op de grond; ook fundering op staal.
Nulmeting
Vooropname met foto’s van onder andere scheuren.
O
Onderkant metselwerk of fundering
Laagste niveau van het metselwerk of de betonbalk; niet gelijk aan de bovenkant van het funderingshout.
Overstek
Constructiedeel dat aan één zijde wordt ondersteund.
P
Paaljuk
Kesp met twee palen bij een Amsterdamse fundering.
Paalkop
Bovenste deel van een funderingspaal.
Paalrot
Schimmelaantasting door droogstand; paal verliest draagkracht.
Paalschacht
Buitenkant van de paal, van kop tot voet.
Paalvoet
Onderkant van een paal.
Palenpest
Bacteriële aantasting van vooral grenen palen; tast de spintlaag aan.
Palenplan
Bovenaanzicht met de plaats van palen.
Peil
Meestal de bovenkant van de beganegrondvloer.
Peilbuis
Meetbuis met filter voor grondwaterstand.
Peilgebied
Gebied met gestabiliseerd waterpeil door het waterschap.
Penant
Metselwerk naast of tussen kozijnen.
Poer
Blokvormig funderingsdeel, meestal van beton, met meerdere palen.
Prikapparaat
Zie hardheidshamer.
Prikker
Zie hardheidshamer.
Primaire net peilbuizen
Grofmazig peilbuizennetwerk dat sinds 1994 maandelijks wordt gemeten.
PvE
Pakket van Eisen voor onder andere funderingshersteloffertes.
Pylodon
Zie hardheidshamer.
Q
QuickScan
Bestaand marktinstrument voor verkennend funderingsonderzoek (stap 2): beperkt onderzoek op locatie door een KCAF-erkend bureau. Zie ook Verkennend funderingsonderzoek.
R
Retourbemaling
Installatie die opgepompt water terug in de grond brengt.
Rollaag
Laag op kant gemetselde stenen, vaak boven kozijnen.
Roosterhout
Houten roosterwerk onder funderingen op staal.
Rotterdamse fundering
Rij houten palen met langshout en schuifhout; soms met kesp.
S
Scheefstand
Hellingshoek ten opzichte van het horizontale vlak.
Scheurvorming
Patroon en geheel van scheuren in een pand.
Schimmelaantasting
Schimmelvorming in palen door droogstand.
Schuifhout
Houten balkje op langshout om het metselwerk te fixeren.
Secundaire net peilbuizen
Fijnmazig meetnet; niet representatief voor een beoordeling.
Slaghamer
Meetinstrument om de indringingswaarde te bepalen.
Slangenwaterpas
Meetapparaat voor hoogteverschillen.
Sondering
Geotechnisch onderzoek door een conus in de grond te drukken.
Spatkracht
Horizontale kracht onder bogen of gewelven.
Specht
Apparaat voor het meten van de indringingswaarde van palen.
Stalen buispalen
Worden gebruikt voor een nieuwe fundering onder bestaande woningen.
Stempel
Tijdelijke ondersteuningsconstructie.
T
Trasraam
Onderste deel van een gevel in minder wateroptrekkende steen.
Trompverbinding
Verbinden van stalen buissegmenten door een segment op te rekken.
U
UGT
Uiterste Grens Toestand.
Uitgebreid funderingsonderzoek
NAF-term (stap 3 van het funderingsonderzoeksproces) voor volledig veldonderzoek aan de fundering, met een beoordeling van voldoende tot slecht. Voorheen bekend als Fase 1- en 2-onderzoek.
V
Venster
Lichtopening voorzien van kozijn en overspanning.
Verkennend funderingsonderzoek
NAF-term (stap 2 van het funderingsonderzoeksproces) voor beperkt funderingsonderzoek op locatie, met een beoordeling laag/midden/hoog. Voorheen bekend als QuickScan of Fase 0-onderzoek. Het onderzoeksproces kent drie stappen: 1. funderingsrisico-inschatting, 2. verkennend funderingsonderzoek, 3. uitgebreid funderingsonderzoek.
Versnijding
Stapsgewijze afname van de breedte van metselwerk.
Vijzel
Hydraulische cilinder.
Vlechting
Siermetselwerk bij puntgevels.
Vlechtwerk
Siermetselwerk in boogvelden of friezen.
W
Waterpasinstrument
Instrument voor het meten van hoogteverschillen.
Waterpassing
Nauwkeurige niveaubepaling.
Z
Zakking/zetting
Maat voor hoe ver een pand is gezakt ten opzichte van de originele positie.
Zettingsverschillen
Verschillen in zakking tussen onderdelen; kan schade veroorzaken.