KCAF Richtlijn Fundering onder gebouwen — paragraaf-naslag
Naslag van de paragrafen uit de KCAF Richtlijn Fundering onder gebouwen (22-11-2022) en het Addendum QuickScan (25-03-2025) zoals gebruikt in de FunderScan-app.
10 min lezen
Dit artikel is een naslag van de paragrafen uit de officiële richtlijn-documenten die de FunderScan-app gebruikt voor classificatie, toetsing en eindbeoordeling. Iedere paragraaf hieronder heeft een anker (#paragraaf-X-Y) dat vanuit de app rechtstreeks aangelinkt wordt zodra je in een module op een § X.Y-badge klikt.
Inhoudsopgave
- § 1.4 — Omgevingsfactoren bij funderingsschade
- § 2.1 — Archiefonderzoek + historische context
- § 2.2 — Scheuren visuele inventarisatie
- § 2.2.2 — Tabel 1 Scheurbreedte classificatie
- § 2.3 — Lintvoeg- en loodmetingen
- § 2.3.1 — Tabel 2 Rotatie casco classificatie
- § 2.4 — Pandzakking nauwkeurigheidswaterpassing
- § 2.4.2 — Tabel 3 Zakkingssnelheid classificatie
- § 2.5 — Sonderingsprotocol Fase 1 en Fase 2
- § 2.6 — Funderingsonderzoekput inspectieput
- § 2.6.3 — Tabel 5 Visuele houtbeoordeling paalkop
- § 2.6.5.2 — Beslissingsdiagram monstername figuur 49
- § 2.6.5.4 — Klaassen 2008 hout-kwaliteit
- § 2.6.6 — Resterende dragende doorsnede paalkop
- § 2.6.7 — NPR 7201 Proefbelasting
- § 2.7 — Omgevingskenmerken per cluster en pand
- § 2.8 — Inpandige inspectie
- § 3.1.3 — Paaldruk parallel aan vezel
- § 3.1.4 — Druk loodrecht langshout
- § 3.1.5 — Geotechnische draagkracht bestaande bouw
- § 3.2 — Negatieve kleef bij grondwaterdaling
- § 3.3 — Tabel 6 Eindclassificatie
- § 3.4 — Andere funderingstypen
- § 3.4.2 — Fundering op staal
- § 3.4.3 — Beton-palen corrosie en sterkte-reductie
- Addendum 2.1 — QuickScan minimumvereisten visuele scan
§ 1.4 — Omgevingsfactoren bij funderingsschade
Beschrijft hoe grondwaterstand, peilverlaging, naburige bouwactiviteit en verkeer de fundering beïnvloeden. Vereist als context bij elke beoordeling vanaf Fase 1.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 2.1 — Archiefonderzoek + historische context
Bouwtekeningen, eerdere onderzoeken, herstelregistraties en historische topografie. Geeft de uitgangssituatie en verklaart latere observaties.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 2.2 — Scheuren visuele inventarisatie
Inventariseer scheuren per gevel, classificeer naar breedte (tabel 1) en actief/passief. Foto's met annotaties en classificatie per scheur zijn vereist.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 2.2.2 — Tabel 1 Scheurbreedte classificatie
| Klasse | Breedte | Toelichting |
|---|---|---|
| Zeer klein | < 0,5 mm | Haarscheur |
| Klein | 0,5 – 1 mm | Architectonisch |
| Matig | 1 – 3 mm | Architectonisch, monitoren |
| Groot | > 3 mm | Constructief, vervolg-onderzoek |
Actieve scheuren (toename in tijd) wegen zwaarder mee dan passieve. Recente scheuren altijd uit-meten en evalueren met de andere meetwerk-uitkomsten.
§ 2.3 — Lintvoeg- en loodmetingen
Lintvoeg meet vervorming in horizontale voegen met geijkte slangwaterpas of theodoliet. Loodmeting meet scheef-stand van de gevel met digitale waterpas of schietlood. Beide leiden tot rotatie 1:n volgens tabel 2.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 2.3.1 — Tabel 2 Rotatie casco classificatie
| Klasse | Rotatie 1:n | Type schade |
|---|---|---|
| Nihil | < 1:300 | Geen |
| Klein | 1:200 – 1:300 | Architectonisch |
| Matig | 1:100 – 1:200 | Architectonisch, mogelijk constructief |
| Groot | 1:75 – 1:100 | Constructief |
| Zeer-groot | > 1:75 | Ernstig constructief |
Klein-en-lager geeft alleen architectonische schade; matig-en-hoger kan constructief zijn en vraagt onderbouwing.
§ 2.4 — Pandzakking nauwkeurigheidswaterpassing
Zakkingssnelheid in mm/jaar via referentie-baseline, meestal nauwkeurigheidswaterpassing. Gecombineerd met FunderMaps 10+ jaar zakkingsdata als context.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 2.4.2 — Tabel 3 Zakkingssnelheid classificatie
| Klasse | Snelheid | Actie |
|---|---|---|
| Nihil | < 0,5 mm/j | Geen |
| Klein | 0,5 – 2 mm/j | Monitoren |
| Matig | 2 – 3 mm/j | Vervolg-onderzoek |
| Groot | 3 – 4 mm/j | Fase 2 + monitoring |
| Zeer-groot | > 4 mm/j | Acute beoordeling |
Hogere snelheid betekent actieve fundering-problemen die monitoring of herstel vragen.
§ 2.5 — Sonderingsprotocol Fase 1 en Fase 2
Minimum 1 CPT per bouweenheid (≤ 3 panden), extra per ~250 m² of bij heterogeen profiel. Onderlinge afstand ≤ 25 m. CPT minstens 3 m insteek in pleistoceen, 1–3 m uit de gevel.
Aanvullend: bij houten paalfundering ten minste één boring (Begemann of pulsboring) tot het paalpunt-niveau om de holocene laag-opbouw vast te stellen — input voor § 3.2 (negatieve kleef) en § 2.6.5.4 (Klaassen 2008).
§ 2.6 — Funderingsonderzoekput inspectieput
Inspectieput voor blootleggen palen. Tabel 4: bouweenheid ≤ 3 panden → 1 put, > 3 panden → 2 putten. Per put minstens 3 palen (≥ 3 bouwlagen) of 2 palen/jukken. Onderlinge afstand putten ≤ 25 m, minimaal 3% van het heiwerk geïnspecteerd.
Eisen aan de put zelf: afmetingen ~1,5 × 1,5 m, droogpomp, vrije inspectiehoogte, ARBO-veiligheid.
§ 2.6.3 — Tabel 5 Visuele houtbeoordeling paalkop
Per paalkop: kleur, schimmel, geur en vezelstructuur. Schaal van nihil (intact, vochtig licht-bruin, mes prikt moeilijk in) tot uitbundig (zwart, mycelium, mes prikt door, sterk rottend). Aanvulling op de Pilodyn-indringingsmeting.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 2.6.5.2 — Beslissingsdiagram monstername figuur 49
(D, i)-vlak met zones I/II/III/IV.
- Zone I — geen monstername nodig, gebruik C24/D30 default-waarden
- Zone II — monstername aangeraden bij verwachte restlevensduur > 25 j
- Zone III — monstername noodzakelijk
- Zone IV — paalsterkte direct onvoldoende, fundering ongeschikt
De grens tussen III en IV wordt bepaald door de typische belasting per diameter (figuur 49) — circa σ > 10,8 N/mm².
§ 2.6.5.4 — Klaassen 2008 hout-kwaliteit
Correlatie tussen vochtgehalte / volumieke massa nat → ρ_dry → karakteristieke druksterkte f_c,k voor verzwakt grenen en eiken. Alternatief op de generieke C24/D30 aanname als monstername (zone II/III) is uitgevoerd.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 2.6.6 — Resterende dragende doorsnede paalkop
Drie varianten voor d-paalkop:
- Verg 1 (default conservatief):
d = D − 2·(i + 5) - Verg 2 (diepe aantasting bevestigd):
d = D − 2·i - Verg 3 (stevig residu, druksterkte ≥ 10 N/mm²):
d = D − 2·(i − 5)
A = π · d² / 4 (verg 4). Voor het omslagpunt geldt verg 5 zonder bacteriële aantasting, verg 6 met.
§ 2.6.7 — NPR 7201 Proefbelasting
Een paal fysiek op trek/druk belasten als rekenkundig (§ 3.1.5) geen uitsluitsel geeft. R_c;k uit proef via factoren ξ_test (afhankelijk van aantal tests) en γ_t (RC1 = 1,10 / RC2 = 1,20 / RC3 = 1,25) naar R_c;d.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit NPR 7201 § 6.
§ 2.7 — Omgevingskenmerken per cluster en pand
Grondwaterstand, peilverlaging, naburige bouwactiviteit, verkeer en grond-water-historie binnen 250 m. Voedt direct § 3.2 (negatieve kleef) en de monitoringsbehoefte. Op cluster- en pand-niveau vast te leggen.
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 2.8 — Inpandige inspectie
Bevindingen in pand: zichtbare schade aan binnenmuren, vochtproblemen, kruipruimte-status, vloer-scheefstand. Aanvulling op de bovengrondse buitenmetingen en context bij scheur-inventarisatie (§ 2.2).
Volledige tekst hier in te vullen vanuit de officiële PDF.
§ 3.1.3 — Paaldruk parallel aan vezel
σ_c,d = F_d / A ≤ f_c,d met:
f_c,d = 10,8 N/mm²(combinatie 6.10a, eigen gewicht maatgevend)f_c,d = 12,6 N/mm²(combinatie 6.10b, wind/sneeuw maatgevend)
Toets paalkop én omslagpunt; slechtste UC is maatgevend. Wordt gecorrigeerd voor negatieve kleef wanneer § 3.2 actief is.
§ 3.1.4 — Druk loodrecht langshout
σ_c90,d ≤ f_c90,d (figuur 58). Bij σ > 4,5 N/mm² geldt aanvullend verg 10: restdikte h − 2·i_langshout > 40 mm. Toetst het dwarse hout dat de paalkop opvangt.
§ 3.1.5 — Geotechnische draagkracht bestaande bouw
Twee methoden, beide toepasbaar:
Methode 1 — Bewezen sterkte
Als de fundering 50+ jaar zonder schade onder zijn karakteristieke belasting heeft gestaan, is dat impliciet bewijs van voldoende geotechnische draagkracht. Vereist: lintvoeg + peilmaat + nauwkeurigheidswaterpassing.
Methode 2 — NEN 8700/8701
NEN 9997-1 met versoepelde γ-factoren voor bestaande bouw:
| Niveau | Periode | γ_G | γ_Q |
|---|---|---|---|
| Aanschrijfniveau | 1 jaar | 1,10 | 1,20 |
| Observatieniveau | 15 jaar | 1,20 | 1,30 |
| Splitsingsniveau | 25 jaar | 1,30 | 1,40 |
| Nieuwbouw | 50 jaar | 1,35 | 1,50 |
§ 3.2 — Negatieve kleef bij grondwaterdaling
F_nk = O · l_nk · α · σ'_v met α = 0,25 (klei/veen) of 0,35 (zand). Bij peilverlaging hangt zakkende grond aan de paal en geeft extra neerwaartse belasting (in NL-binnenstad vaak 20–40% van F_d).
Gecorrigeerde paaldruk: σ_c,d_corr = (F_d + F_nk) / A_paalkop.
§ 3.3 — Tabel 6 Eindclassificatie
Combineert pand-observaties (rotatie / zakking / metselwerk) + paaltoetsen tot groen/oranje/rood. Slechtste deelresultaat = maatgevend. Koppelt aan handhavingstermijn:
| Kleur | Termijn | Vervolgactie |
|---|---|---|
| Rood | ≤ 5 jaar | Funderingsherstel plannen |
| Oranje | ≤ 15 jaar | Monitoring + herstel voorbereiden |
| Groen | ≤ 25 jaar | Periodieke controle |
Restlevensduur kan korter zijn als V_z hoog is — t_rest = (50 mm − huidige zakking) / V_z.
§ 3.4 — Andere funderingstypen
Naast houten paalfundering dekt de richtlijn ook:
- Op-staal — § 3.4.2 Brinch Hansen + tabel 7
- Beton-palen — § 3.4.3 carbonatatie + sterkte-reductie
- Kespen / Amsterdamse fundering — houten palen met juk-constructie, beoordeel kesp-buigsterkte + paalverdeling
§ 3.4.2 — Fundering op staal
Drained (zand) via Brinch Hansen-formule:
R_d = c'·N_c·s_c·d_c·i_c + q·N_q·s_q·d_q·i_q + 0,5·γ·B·N_γ·s_γ·d_γ·i_γ
Undrained (klei) via c_u·N_c·s_c·d_c·i_c + q_0.
KCAF tabel 7 geeft vereenvoudigde σ_toelaatbaar per grondsoort en consistentie:
| Grondsoort | σ_toelaatbaar (kPa) |
|---|---|
| Zand vast | 200 – 300 |
| Zand los | 100 – 150 |
| Klei vast | 100 – 150 |
| Klei matig | 50 – 100 |
| Klei slap | < 50 |
| Veen | ≤ 25 |
Plus zakkings-prognose (Terzaghi voor klei) en differentiële zetting tussen panden.
§ 3.4.3 — Beton-palen corrosie en sterkte-reductie
Tuutti carbonatatiemodel: x_c = K · √t met:
K ≈ 3 mm/√jbij C20/25 in beschermde omgevingK ≈ 10 mm/√jbij blootgesteld beton
Toetst of dekking nog voldoet: x_c < dekking − 5 mm marge.
Plus inspectie-gebaseerde reductie van f_c,d (0–50%) op basis van zichtbare scheuren, hol-klop bij hamerproef, of verkleuring/uitloging.
Addendum 2.1 — QuickScan minimumvereisten visuele scan
Verplicht voor een QuickScan-conform oordeel:
- Lintvoegmeting (voorgevel of volledig)
- Loodmeting (voorgevel of volledig)
- Scheuropname met classificatie
Optioneel maar aanbevolen:
- Pandzakking (mm/jaar)
- Archiefonderzoek
Vereist voor de uitvoering:
- Geijkte instrumenten (waterpas, theodoliet, schietlood)
- Foto-traceerbaarheid met geo-tags
- Beoordeling door erkende organisatie (KCAF of VastgoedNED)
Resultaat: indicatief oordeel met aanbeveling Fase 1 voor vervolg-onderzoek bij twijfel.